Om voor Deventer Huisgenoten

Kroller-Muller-waterobject
Het gebeurde bij het Centraal Station
Met de deurknop in mijn hand, maart 2026
Citroen, januari 2026
En ze zoende ineens anders november 2025
Uitkijken over de drasplas. 7 september 2025. 468 woorden
Inventaris van de sprinkhaan 18 mei 2025 750 woorden
De ober
De zoon van Markus 3 maart 2025, 427 woorden
Terug van Tenerife 10 januari 2025, 538 woorden
Om meer te lezen 3

Het gebeurde bij het Centraal Station

verwacht april / mei 2026...

Met de deurknop in mijn hand

... kijk ik achterom naar waar oorlog en hongersnood de wereld beheersen. Zelfs de vogels hippen onrustig op hun takken. Ik, als mens alleen, kan niets veranderen aan die situatie, maar binnen hoop ik dat wat me zo bedrukt voor korte tijd te kunnen vergeten. Hier zou ik opnieuw beginnen.
De ruimte is licht en leeg op enkele meubelstukken na. Ik loop naar het midden en kijk om me heen. Op dat moment valt het licht uit. De ramen, waardoor zojuist nog zonlicht naar binnen viel, zijn zwarter dan de nacht. Het is alsof er een ondoorzichtige deken over alles en mijzelf is gevallen. Er gaat een schok door me heen. Zo gaat dat dus... en ik zit er middenin. Het overkomt mij. Hoe zou het zijn voor mensen die dit dagelijks meemaken: geen zicht, geen uitzicht, blind. Zonder dat ik me direct van die verandering bewust ben, is al mijn aandacht uitsluitend op mijzelf gericht. Ik ben mijn oriëntatie kwijt en wankel op mijn voeten. Dan zak ik langzaam door mijn knieën op de grond. Mijn handen raken de vloer die daarnet nog zo helder en stevig nu heen en weer lijkt te schommelen. Het duizelt in mijn hoofd. Ik sluit mijn ogen en open ze weer om te zien of er iets verandert. Ik twijfel aan mezelf. Is het waar wat er gebeurt? Ik tast met mijn handen om me heen. De vloer is pluizig, iets plakt aan mijn vingers. Voel ik wat bewegen, of denk ik dat? Ik trek mijn hand terug. Als ik die voorzichtig weer uitstrek voel ik het niet meer. Ik reik nog verder, maar wat het ook was is verdwenen. Nu pas valt het me op dat het doodstil is. Ook van buiten dringt er niets tot me door. Ik ben alleen. Mijn been verkrampt. Er zit een steentje onder mijn knie, ik schuifel over de vloer tot ik dat niet meer voel. Waar was die deur, de stoelen, die tafel? Ik draai me om en begin voorzichtig te kruipen. Met mijn hoofd omlaag kan ik beter luisteren. Ik ruik stof. Mijn vingers raken iets dat lijkt te bewegen. Iets vlezigs. Ik trek mijn hand pijlsnel terug en blijf doodstil zitten, luister en wacht af. Met voorzichtig gekromde vingers kruip ik verder. Overal is gruizigheid en hier en daar iets dat wil plakken. Mijn ogen vernauwen zicht tot spleetjes terwijl ik nog steeds niets zie, mijn neus krult omhoog en mijn lippen krimpen in elkaar. Ergens klinkt een zacht piepen. Is het een dier in nood of een stoelpoot die wordt verschoven? Ik draai mijn hoofd in die richting en wacht tot het zich herhaalt. Niets. In de verte klinkt een aarzelend kloppen. Ben ik dat zelf? Ik wacht maar ik hoor niets meer. De deur waardoor ik binnenkwam moet links van me zijn en ik kruip in die richting. Dan hoor ik van vlak bij heel zachtjes ‘help,’ zo zacht dat ik eraan twijfel of ik het wel heb gehoord. Wat zal ik doen? Ineens springt er iets op mijn hand. In een reflex trek ik mijn arm terug en kom half overeind. Ik ril over mijn hele lichaam.
Wat gebeurt hier?
© Erik R. Noorman, februari 2026

Citroen

Daar stond hij dan,
in de deuropening van zijn oude huis, ontspannen met zijn ene been schuin over het andere, leunend tegen de deurpost. Na al die jaren was hij weer thuis. In zijn Verno driedelig maatpak, het paradepaardje van Cavallaro Napoli, was het alsof hij nooit was weggeweest maar de groeven in zijn gezicht waren dieper geworden. Zijn bezoek aan Napels, aan de Andy Warhol. Triple Elvis" Pop Art tentoonstelling in de Gallerie d'Italia, had langer geduurd dan hij had voorzien. Hij was naderhand omhooggelopen naar de Belvedère op Santa Lucia waar hij op die heldere ochtend in de warme windstilte had staan uitkijken over de haven en de baai, vanwaar hij de steile kliffen van Capri kon zien. Hij had geen oog gehad voor het drukke verkeer beneden met al die ongeduldige chauffeurs die elkaar geen enkele ruimte lieten op de overvolle kruispunten. Daar, waar in de verte zijn oog bleef hangen, was hij zo vaak met haar geweest. Daar lag zijn hart. Daar hadden ze gedroomd van een toekomst, samen.
Na wat er gebeurd was op de Monte Solaro, die hoge steile berg op dat kleine eiland, had hij zich teruggetrokken uit zijn sociale leven, zijn vrienden ontweken en de afzondering omarmd alsof die alleen hem zou kunnen troosten. Zijn droom om met haar een nieuw leven te beginnen in het land waar zij was geboren en opgegroeid was uiteengespat. Somberheid schaduwde zich over zijn dagen. De toon vervlakte in zijn eerder inspirerende artikelen, waardoor de hoofdredacteur van Vogue Italia hem het advies gaf voor onbepaalde tijd met verlof te gaan.
Zijn ontmoeting met haar stond hem nog scherp voor de geest. Van een afstandje had hij naar dat slanke silhouet gekeken dat doelgericht en met een natuurlijke elegantie voor het groepje mensen uitliep waar hij toe behoorde, op weg naar steeds een nieuw uitkijkpunt. Hij had haar in stilte geobserveerd, rondgekeken of zij wel alleen was en nagedacht over hoe hij die betoverende aanwezigheid zou kunnen benaderen. Hij glimlachte in gedachten.
En toen stonden ze onverwacht naast elkaar, hun handen allebei aan de leuning en ze keken samen uit over de spiegelgladde zee waarin verre zeilboten als witte stippen boven het water zweefden. Tegen het vallen van de avond slurpte ze onder het prieel schaamteloos haar slierten spaghetti naar binnen en vertelde ze hem na een paar glazen rosékleurige Lambrusco dat sommige Italiaanse vrouwen het niet altijd vervelend vonden in hun ronde billen te worden geknepen.
Ze had hem uitgenodigd om mee te gaan naar de kust van Amalfi, zo’n zestig kilometer zuidelijk van Napels, waar ze was opgegroeid, waar haar ouders een schaduwrijke citroenboomgaard bezaten met panoramische terrassen die uitkeken over de Middellandse Zee. De bomen hingen vol grote geurige ovale Femminello citroenen die vanwege hun intens aroma gebruikt werden om limoncello mee te maken.
En toen, na die fatale val, was ineens alles anders. Na het afscheid ging hij naar huis. Dat was nu vijf jaar geleden. Hier was hij zijn nieuwe leven begonnen, met een andere vrouw, andere vrienden. En precies op deze dag stond hij in de deuropening en hoorde zichzelf roepen naar zijn vrouw, die tussen hun gasten in de tuin stond, ‘waar zijn de citroenen gebleven?’ Hij schrok van zijn eigen woorden. Zijn vrouw keek om. De vraag hing roerloos in de lucht. Ze had hem niet verstaan. Met een handgebaar draaide hij zich om en liep naar binnen.
© Erik R. Noorman, december 2025

Ze zoende ineens anders

Ze zoende ineens anders, anders dan hij ooit had meegemaakt. Haar lippen hadden een zachtheid die met niets te vergelijken viel. Alsof iedere zenuw die hij voelde van haar mond precies voor hem gemaakt was. Zo paste haar mond op de zijne. Hij voelde, nee hij proefde geen enkel onderscheid. En de smaak! Die was als van zongerijpte limoenen die met bedauwde vingers zo van een Braziliaanse boom waren gedraaid en op een porseleinen schaaltje voor hem lagen, nee: ze hingen nog aan de takken van de boom, geurend zoals alleen verse limoenen dat doen: groen en ongezoet. Alle weerstand verdampte uit zijn lichaam. Hoe had hij het zolang uitgehouden zonder haar? Waarom was hij toen weggegaan?
Hij opende zijn ogen, keek over haar blanke schouder naar de deur die bovenaan de drie treden open was blijven staan toen ze naar hem was toegesneld en zag in een flits hoe ze daar gestaan hadden, jaren geleden. Op die plaats hadden ze met een zijdelingse zoen, die niet meer was geweest dan een geluidloze vermoeide zucht, afscheid genomen. Hij dacht toen dat hij met een ander beter af zou zijn, wist niet hoe hij dat aan haar kon vertellen. Hij had er een grote leugen van gemaakt door haar te vertellen dat het offshorebedrijf waar hij voor werkte hem over zou plaatsen naar een booreiland voor de Engelse kust. Daarna begon het pijnlijke proces waarin hij zich steeds schrijnender realiseerde hoe hij haar miste. Hij had haar nooit echt gezien en, goed beschouwd daarmee zichzelf ook niet. Hij kon haar liefde niet ontvangen. Dat had hij nooit geleerd, dat ontvangen. Het geven trouwens ook niet. Hij wilde het zijn ouders niet kwalijk nemen. Die waren druk geweest met elkaar de maat nemen en waren daar nooit uit gekomen, tenminste niet zolang hij bij hen woonde. Hoe had hij daar kunnen leren wat liefde is? Ineens moest hij denken aan de vader van zijn moeder. Die was zonder aankondiging uit zijn leven verdwenen toen hij dertien was. Nu wist hij wat het betekende dat die man met dat kale hoofd en die donkere vlek die leek op een eiland in de Middellandse zee in dat ruim zittende pak, speciaal voor hem uit het noorden gekomen was om tegenover hem aan tafel te zitten en met hem te kijken naar de sigarenbandjes die hij voor hem had meegenomen. Tussen de tabaksgeur door had hij grootvader verteld over de lange weg naar school en Melissa met dat lange haar en die ronde kin, tegen wie hij durfde te zeggen. Grootvader had dat begrepen en hem verteld over zijn jonge jaren op een schip en dat hij geen vriendjes of vriendinnetjes kon maken omdat ze nooit lang op dezelfde plek bleven liggen, en hoe dat voor hem was.
En deze vrouw, dat wist hij nu zeker, had van hem gehouden, hem de tijd en warmte gegeven die hij thuis zo had gemist. Wat zou grootvader nu zeggen? Hij sloot zijn ogen, maakte zijn lippen los van de hare, strekte zijn armen zodat hij haar aan kon kijken in haar helder blauwe ogen waarin de wolken weerspiegelden. Toen streek hij bedachtzaam met zijn tong over de binnenkant van zijn lippen en vroeg: ‘… nog een keer?’
© Erik R. Noorman, november 2026

Uitkijken over de drasplas

Pete groeide op als jongste van de vier kinderen van schoenhersteller Lucas Karmozijn en zijn vouw Adriana Platteveel. Hij was ‘een ongelukje’. Niemand had hem dat verteld maar zelfs Pete, die zijn naam dankte aan de wat springende tred waarmee hij was geboren, begreep toen hij wat ouder werd, dat als je de vierde zoon bent, je ouders onder de lakens hun best hadden gedaan op een dochter.
Soms leek het erop dat mevrouw Karmozijn haar jongste, na wiens geboorte ze haar vruchtbaarheid had verloren, steeds iets extra’s toestopte. Lucas liet dat oogluikend toe. Hij wilde geen ruzie in het huis waarin niet iedereen een eigen kamer had. Pete groeide op in betrekkelijke eenzaamheid en zocht steeds vaker de plasrijke omgeving op aan de rand van hun dorp, waar de kwelders en vennen in hun ongestoorde rust aan de eeuwigheid leken toe te behoren. Hij merkte dat zijn klasgenoten een kop groter werden. Zijn lengte werd gecompenseerd door een brede rugpartij. De slagen die hij daar op ontving maakten hem nog kleiner. Ook keken zijn vrienden met scheve ogen naar die groene broodjes in zijn lunchtrommel. Ondertussen nam Adriana de broekspijpen van haar zoon onvermoeibaar in, legde de zomen maximaal uit en gaf haar zoon een gevoerde grijsgeruite klepmuts om zijn schedel, waarop na zijn geboorte niet veel haar meer was gegroeid, warm te houden.
Lucas zag de toekomst van zijn schoenherstelplaats zonnig in, maar de een na de andere zoon besloot dat hun toekomst niet lag aan de houten werkbank van hun vader, waar allerlei luchtjes opstegen uit de leest van juist gebrachte schoenen of vanonder de profielzolen. Daarbij kwam dat hun vader vaak rondliep met een bloeduitstorting op zijn duim en pleisters rond zijn vingers. Al zijn hoop was nu gevestigd op Pete. Als die van school kwam zou hij zijn meesterknecht worden in het bedrijf waar ooit Lucas’ grootvader was begonnen. De jongen kon op school niet goed meekomen, alleen bij sporten was dat anders. Bij het hardlopen, kreeg Pete een handicap van twintig meter of meer. Toch won hij alle wedstrijden.
Toen het gedaan was met de school en hij met zijn verende tred iedere morgen naast zijn vader naar de kleine werkplaats liep, werden ze aangesproken door een man die met twee vingers tegen de rand van zijn kiwikleurige Cragshopper tikte. Lucas schrok maar Pete herkende direct de plaatselijke jachtopziener. De man zei tegen Lucas dat diens zoon, die er tijdens die ontmoeting met half gesloten ogen bijstond, bij het vallen van de avond vaak gezien werd, voorovergebogen op zijn hurken, als een schoenlapper tussen koningsvarens. De jongen keek dan urenlang doodstil naar het vlakke water van de drasplas en reageerde met klakkende tong op geluiden die leken op te stijgen vanonder het blad van de wilde waterlelies. Of Pete wel zwemmen kon? De jongen keek de man vanonder zijn klepmuts met van weerzin omlaag getrokken mondhoeken aan.
© Erik R. Noorman, september 2025

Inventaris van de sprinkhaan

De sprinkhaan keek naar de heldergroene naaldachtige bladeren van de lage takken van de lariks. Ze waren zachtgroen geworden in de zomer, en kleurden nu fel oranje en goudgeel. Spoedig zouden ze deel worden van de zachte bosgrond. Die wisseling van kleuren was een wonderlijk schouwspel geweest, maar het betekende ook dat voor hem de tijd van afscheid naderde want hij zou de eerste vorst niet overleven. Hij spiedde tussen het bruiner wordend blad op de grond naar de kleinste beweging. Een zonnestraal bescheen de geribbelde rug van Pissebed, Oorworm verschool zich achter een kleine kluit aarde vlakbij het hol van Slaapmuis, zijn beste vriend. Verder was het nog stil, deze morgen. Enkele dagen geleden was de openbare verkoop aangekondigd en al zijn vrienden zouden komen. Hij zat aan zijn tafel en bladerde door zijn inventaris. Het zou allemaal niet veel opbrengen.

Bovenop lag het beukenblad waarop, zo dacht hij, zijn vader eens geslapen had.
Daaronder het blad van de appelboom dat hij gevonden had onder de waslijn van mijnheer Van Mook en waarop druppels water waren gevallen.
Dan was er nog een waarop de namen stonden van zijn vrienden; achter enkele namen stond een streepje.
Daaronder een waarop hij met wat speeksel de linker vleugel van zijn vouw had geplakt. Hij keek stil voor zich uit naar de kleuren waar ook zij zo van gehouden had.
Onderop lag de brief van mijnheer Van Mook. Die zou hij zeker niet verkopen. Mijnheer Van Mook woonde al jaren aan de andere kant van de weide, waar hij in zijn jonge jaren geleerd had om van springen naar vliegen te gaan.

‘Beste sprinkhaan,’ stond er in beverig handschrift bovenaan. ‘jouw leven, jouw ontwikkeling van ei naar insect, dat uiteindelijk los kan komen van de aarde, de stadia die jij doormaakt, zie ik in spiritueel opzicht parallel aan het leven van een mens – mijn eigen leven. Ook ik ben klein en nietsvermoedend ter wereld gekomen en getransformeerd tot een wezen van groter wijsheid en bewustzijn, vrij en onafhankelijk, zoals ik jou zo vaak heb geobserveerd vanaf de veranda van mijn huis.

Door jou werd ik me bewust van mijn beperkingen, en de situaties die mij vaak ongemerkt belemmerden in mijn zelfexpressie, mijn passie, en het verkennen van nieuwe horizonten, zonder angst voor het oordeel van anderen. Nu, tachtig jaar later, weet ik niet wat ons te wachten staat. Geef me iets van jouw levensvr…’ De rest was onleesbaar. De inkt was uitgelopen door de tranen van de sprinkhaan omdat zijn hart bij die laatste woorden, iedere keer dat hij de brief las, overliep van mededogen voor de man waar hij nooit dichtbij had durven komen, waarschijnlijk door de geur die zich met komende wind verspreidde vanaf de plaats waar hij zo vaak zat.

Hij staarde voor zich uit en overwoog voor de zoveelste keer wat hij had gelezen. Was hij dat, was hij dat werkelijk? De ringen van Aardworm glinsterden tussen het blad en vlakbij het hol van Slaapmuis bewoog de grond. Zijn vriend werd wakker.
Hij besloot het erop te wagen.

In één beweging draaide hij zich om en sprong en vloog tot hij midden op tafel belandde, vlakbij het gezicht van mijnheer Van Mook. Nog niet eerder was hij zo dicht bij een mens geweest. Hij tastte met zijn sprieten de geur af van minuscule restjes voedsel en van de koud geworden pijp. Toen keek hij naar de man die hem zo geraakt had met zijn brief, en wiens ogen leken te zijn weggezakt in diepe donkerbruine rimpels.

Op de hoek van de tafel stond een schaaltje met Brinta-vlokken. Dat was nog veel lekkerder dan sprieten mals gras, en de sprinkhaan vroeg zich af hoe lang dat daar al stond…
Zachtjes streek hij de onderkant van zijn vleugels tegen elkaar, en ieder die dat kon en wilde, hoorde het begin van de hymne van de sprinkhanen.
© Erik R. Noorman, mei 2025

De ober

Minnie en haar moeder komen op een vaste dag in de maand lunchen in hetzelfde restaurant.

‘Kijk nou toch, dat is toch niet te geloven!’ Minnies moeder wijst met haar uitgestrekte arm naar haar schoonzoon, buigt haar hoofd omlaag boven haar koffiekopje en houdt haar andere hand voor haar ogen. ‘Dat je daar mee thuis durfde te komen. Ik zei nog tegen je vader zaliger…’
Minnie draait zich om in haar plastic terrasstoel. De vier poten krassen over de houten vlonder. Het glimmende kleedje dat ze voor deze middag speciaal had aangetrokken rimpelt over haar schriele lichaam. De split onthult een groot deel van haar dijbeen. ‘Ja, dat doetie altijd als we aan het water zijn...’ “Dat trekt,” zegt hij altijd en daarom gaatie altijd even… Stel je niet zo aan, als jij een man was deed je dat ook. Dat doen alle mannen…’
De wind blaast de bellen in de richting van de vlonder. Een zwakke bouillonachtige geur verspreidt zich tussen de verder lege tafeltjes aan de waterkant. Minnies moeder houdt haar hand voor haar mond en lijkt met ademen te willen wachten tot de geur is verdwenen.
‘Gggetverderrie Minnie, dat het zover met jullie heeft moeten komen…’
Uit de terrasdeur stapt een jongeman. Hij draagt een wit overhemd waarvan de mouwen zijn opgestroopt tot ver over zijn onbehaarde onderarmen. Hij draagt een donkere bistrosloof en heeft een smartphone in zijn hand. ‘Dames heeft u al een keus kunnen maken?’ Dan valt zijn oog op de man aan de waterkant die, zich half omdraaiend, licht door de knieën zakt en met een geoefend gebaar zijn rits omhoogtrekt en in dezelfde beweging rechtop gaat staan. ‘Zo moeder, dat lucht op.’ Hij kijkt triomfantelijk van zijn schoonmoeder naar Minnie en vervolgens naar de ober die een halve kop kleiner is en die met zijn mond halfopen is blijven staan. Dan veegt hij omstandig zijn handen af aan zijn grijs flanellen joggingsbroek waarvan de pijpen met elastiek in de zoom ruim boven zijn blote enkels eindigen en zegt: ‘zo jongeman, doe voor mij maar een patatje slordig met drie zachtgebakken eieren.’
De ober hapt naar adem.
Minnies moeder laat haar hand zakken en kijkt met dichtgeknepen neus naar het water. Haar mond ziet eruit alsof ze een slokje van haar koffie neemt maar daar is ze nog niet aan toe. ‘Ik zei nog tegen je vader zaliger…’
‘Zeg maar Wim, gewoon Wim. En hij was mijn vader niet, dat heb jij ervan gemaakt… Van die man’
‘Ja maar… hij was toch…’ zegt Minnies moeder.
Minnie draait terug op haar stoel en trekt links en rechts haar jurk recht en kijkt of de split het houdt. ‘En waarom moest je me vanmorgen zo vroeg bellen? Dat doe je nooit. Is het zijn sterfdag soms? Issie nu ineens je zaliger? Dat zeg je anders nooit. En je weet dat ik niet met je mee ga. Zeg dat maar tegen die Wim van je.’
‘Dames heeft u al een keus kunnen maken?
De dames kijken de ober aan met opgetrokken wenkbrauwen.
De soep van de dag is heldere runderbouillon met een vleugje rozemarijn en sojasaus van de chef…’
Minnies moeder trekt haar neus op en kijkt van haar schoonzoon naar de jongeman. ‘Wij willen een ander tafeltje kerel, een die niet zo dicht bij het water staat.
© Erik R. Noorman 15 juni 2025

De zoon van Markus

Terwijl hij zich omdraaide vielen ze uit zijn handen. Het struif glibberde uit de schalen en werd gulzig opgeslokt door de ronde openingen van de rubbermat voor mijn deur.
Hij had net aangebeld.
‘Mijn vader woont verderop. We krijgen bezoek, familie enzo… en onze eieren zijn op. Hebt u misschien…?’ In gedachten ging ik mijn buren langs. Deze jongen had iets van…, dezelfde tengere gestalte, zijn schouders wat opgetrokken en licht uitstaande oren, onzekere blik. Dat moest de zoon van Markus zijn.
‘Wil je hier even wachten?’ Toevallig was ik een paar dagen geleden bij de kippenboer aan de Schatersestraatweg. Ik liep naar de keuken en nam er een paar uit het mandje naast de koelkast. Toen ik terugkwam stond de jongeman door de deur nieuwsgierig naar binnen te kijken.
‘Mooi kastje… en die gedroogde hortensia…’ zij hij, met een Vlaams accent terwijl ik de eieren in zijn uitgestrekte handen legde. En toen gebeurde het.
We keken op hetzelfde moment omlaag.
Ik bedacht dat ik niet eens wist hoe hij heette en op welk nummer zijn vader ook alweer woonde. Voor die vragen was het nu te laat. Die troep zou ik later wel opruimen, eerst moest ik van hem af zien te komen. Ik was de slungel ineens spuugzat - met zijn schijnheilige gezicht. ‘Geeft niet,’ zei ik met mijn kiezen op elkaar, ‘ik heb er genoeg.’
In de keuken stond hij ineens vlak achter me. ‘Mooie oven,’ zij hij.
Ik greep in de mand en gaf hem mijn laatste eieren.
‘Ik zal er voorzichtig mee zijn meneer en die troep voor de deur kom ik meteen opruimen.’ Toen hij weg was keek ik de hal nog eens rond. Opgeruimd was het hier. Nergens lag iets wat er niet hoorde. In een onbewust gebaar schoof ik de lade van het kastje dicht en realiseerde me op datzelfde moment dat die lade altijd helemaal dicht was. Ik trok hem open. Toen zag ik het.
Ik rende naar de straat. Niets. Vuile vlegel, dacht ik, geflipte eierdief. En dat was de zoon van Markus? Ik liep snel en paar huizen verder en belde aan. Open lach, blonde krullen, zilveren halve maantjes aan haar oorlellen, kuiltjes om te zoenen, roze tuinhandschoenen…
‘Markus Kruidenier?’ zei ze, ‘die is een paar dagen geleden vertrokken.’
‘Maar bent u dan… niet?’
‘Ja, dat zou hij wel willen,’ lachte ze. ‘Toen ik het huis overnam bleek er van alles kapot: de meterkast, putten in het laminaat, een poster over een gat in de deur, graten in de gootsteen en de badkamer stonk naar rotte eieren. Dat ruik ik nog steeds. Waar hij gebleven is weet ik niet. Hij had het over een zoon in De Panne. Maar kom binnen want u ziet eruit alsof u iets afschuwelijks heeft meegemaakt.’
© Erik R. Noorman, november 2024

Terug van Tenerife

Daar stond ze, net terug van haar congres. Ze straalde zoals ik haar nog nooit had zien stralen. Ja, die eerste jaren dat we samen waren en alles nog nieuw was en elkaar ontdekken nog een dagtaak was. In het oranje licht van de ondergaande zon, dat door het raam viel boven mijn bureau, stond ze daar. Haar blonde krullen golfden langs haar gezicht, gebruind op de stranden van Tenerife. Haar zeegroene jurk viel met een zwier soepel om haar lichaam toen ze plotseling haar pas inhield en bij wijze van groet tweemaal met de hak van haar sandaal op de drempel klakte. Zo kende ik haar niet. Niet met die open blik, alsof ze niets te verbergen had. Twee weken geleden hadden we afscheid genomen op diezelfde drempel.
‘Ik móet naar Santa Cruz Jesse, dat gun je me toch wel? Een paar collega’s gaan ook en nog wat mensen die ik ken van vorig jaar in Malaga.’ Ik kon Suus niets weigeren. Het was de toon waarop ze tegen me sprak, dat vragende met dat opwaartse geluid aan het einde van iedere zin. Mijn hart smolt, iedere keer weer. Waarom was ik deze keer zo wantrouwig? Was dat omdat ik wist dat Lars erbij zou zijn? Hij had een maritieme duikopleiding gedaan tegelijk met zijn studie archeologie. ‘Dat is een geflipte onderwatergraaier,’ schreeuwde ik in een verongelijkte bui eens tegen Suus. ‘Een getatoeëerde spierbundel met twee laffe polsbandjes en een ringetje in zijn oor dat hij uit moet doen als hij omlaag flapt, God weet waarnaartoe.’
‘Je hoeft niet jaloers te zijn Jesse, hij is gewoon wat breder gebouwd dan jij en jij houdt nu eenmaal van een gladde kaaklijn.’ Ik zweeg en nam mijn verlies met een binnensmondse verwensing die zij niet leek te willen horen. Suus vermeed sindsdien zijn naam angstvallig als ze over haar werk sprak, waarvan ze soms later thuiskwam dan ik nodig vond. Dat was het ergste. Na afloop van het congres wilde ze nog een paar dagen naar Acantilados De Los Gigantes, aan de westkust, dat met zijn reuzenkliffen een bron van inspiratie was voor kunstenaars. Hij fotografeerde ook. Die hingen in de gang van hun kantoor. ‘Je moet eens komen kijken Jesse.’ Ik piekerde er niet over. Zat mijn Suus bij het fotograferen dan misschien verstopt achter een van die kliffen of stond ze achter die onderwaterlamantijn om met haar naar bodylotion ruikende slanke handen zijn schouders te masseren? Eerst twee handen links en dan twee handen rechts. Ik wist niet hoe ik hieruit moest komen. Ik wilde haar niet verliezen maar haar foto op het bureau van mijn actuariaat was de laatste jaren verstoft geraakt; soms zag ik hem weken niet vanwege de grote vellen met statistieken waarmee ik de risico’s van de eerstvolgende natuurramp doorrekende.
Ze had zich al die tijd niet bewogen. De zon daalde langzaam over haar lichaam omlaag. In een snelle beweging had ze haar schoenen uitgeschopt en ik zag de afdruk van haar teenslippers op haar blote voeten. ‘Ik heb,’ zei ze…, ‘ik ben…’
Zou ze nog met die uitgedeukte kreukelzone ook nog naar Parqua Maritimo zijn geweest met zijn zeewaterzwembaden, palmbomen en zonneterrassen?
Er viel een ongemakkelijke stilte tussen ons.
© Erik R. Noorman, januari 2025