Erik Noorman
Om (voor) te lezen
De dwerguil 600 woorden, 2026
Van Triest 609 woorden, 2026
Het slachtoffer 150 woorden
Terug van Tenerife 538, 2025 woorden
Uitkijken over de drasplas. 478 woorden
De zoon van Markus1. 447 woorden
Twee glazen donker. 463 woorden
Wado Kruitjes. 489 woorden
Bezoek, 424 woorden, 2023
Vindstenen. 1088 woorden, 2019
Met jou zou ik willen vliegen
Haiku nummer 1
De dwerguil. 600 woorden april 2026
Al vier jaar leef ik, alleen, in de schaduw van de dagen, die zich kleurloos voortslepen als een vermoeide modderstroom door een opgedroogde bedding. Kort nadat het gebeurde vluchtte mijn moeder het land uit, met haar viool. Ze probeert me iedere dag te bellen. Mijn oudste zus was zo slim direct uit te wijken naar Gdansk om daar haar cellostudie voort te zetten. Ze kan nu dat land niet meer verlaten omdat ze er dan niet meer in mag. Mijn jongste zus is met haar vriend van over de grens uitgeweken naar Milaan. Ze werken daar illegaal in de horeca, wonen in onderhuur en proberen hun afkomst te verhullen. Mijn vader zit sinds de scheiding aan de andere kant, waarschijnlijk bij zijn ouders. Als dit niet ophoudt zie ik hem nooit meer terug. En ook opa en oma niet. Vooral opa mis ik. Met hem maakte ik lange tochten door de eindeloze naaldbossen daar en langs de Severski Donetz.
Ik dacht toen dit allemaal gebeurde dat het uiteindelijk wel mee zou vallen, maar toen was het te laat, voor mij. Nu durf ik niet meer buiten te komen. Soms hoor ik boven wat gefladder maar ik maak zelf zo min mogelijk geluid. Als ik op een donkere dag door een kier van de gordijnen kijk zie ik oudere mensen voorbij strompelen, gewikkeld in dikke shawls en een boodschappentas in hun donkere wanten geklemd tot ze bij het paadje naar hun huis aankomen. Ze kijken dan vluchtig om zich heen en gaan stil naar binnen. De buren denken dat iedereen uit dit huis vertrokken is, zoals bij zoveel huizen hier.
In het begin liep ik nog wel eens bij het vallen van de avond over straat maar dat durf ik niet meer. Ik leef als een dier in de nacht, opgejaagd door het licht en de noodzaak om naar de kleine super te gaan om was te eten te halen en voor het opladen van mijn telefoon. De mensen daar vertellen de meest verschrikkelijke dingen. Mijn maag draait om als ik op straat loop en denk dat er ieder moment een auto naast me kan komen rijden waaruit gemaskerde mannen springen om me mee te nemen. Voor ik het weet zie ik mijn huis nooit meer terug.
Ik kan niet wennen aan die verschrikkelijke dampen die over de stad trekken, iedere keer als de wind uit het oosten komt – en dat is vaak – probeer ik mijn neus dicht te houden, maar die stank dringt overal door. Geluiden die vanuit de verte dichtbij komen trillen door mijn lijf als zweepslagen op mijn blote huid. Als de kou mijn lichaam binnendringt kan ik het trillen soms niet stoppen. Gas en elektriciteit zijn hier al lang niet meer. De enige warmte komt van een klein vuur dat ik aansteek in de achtertuin, als nergens meer kaarslicht brandt. Dan maak ik een blik bruine bonen warm.
Soms tref ik op zolder mijn bondgenoot: de dwerguil. Die komt af en toe samen met een vleugje wind en een dode muis in zijn haakvormige snavel door het kapotgeschoten dakraam schuilen voor de storm. Aan hem vraag ik hoe de wereld er buiten uitziet. Het is de enige tegen wie ik praat en de enige tegen wie ik mijn hart kan luchten. Ze nestelen hier al jaren niet meer. Het is te onrustig en zijn voedsel raakt op. Als het zo doorgaat zal hij dit gebied verlaten en voorgoed in Oost-Siberië blijven. Daarom leg ik af en toe een klein stukje brood op de bovenste plank. De volgende dag is het weg. En ik? Ik ben er nog steeds.
(C) Erik R. Noorman, april 2026
Van Triest. 609 woorden
Jij deugt niet Van Triest.’ Met die woorden liep de man zonder om te kijken de kantine uit waar net een kale besnorde kok uit een grote stoomketel een schep chili con carne op mijn bord had gesmeten. Hij raakte me in mijn hart, die man. Ik zette mijn bord met een klap op de formica tafel waardoor de saus over de rand spatte en plofte neer op de lange bank die onwrikbaar aan de vloer was bevestigd. Ik keek om me heen. De ruimte was leeg op één figuur na, die verderop aan net zo’n tafel zat als ik en in net zo’n kaki overall met klepzakken op zijn borst. Hij moest gehoord hebben wat er was gezegd want hij keek me secondenlang strak aan, trok toen zijn mondhoeken naar benden waarmee hij zijn afkeuring uitdrukte. Ik hield zijn blik langer vast dan ik wilde. Vlak voordat ik mijn ogen neersloeg stak hij zijn vuist naar voren, zijn duim omhoog en draaide zijn vuist toen om. Dat betekende in de Romeinse arena een genadeloze dood. Zijn mond herhaalde geluidloos de laatste woorden: Van Triest. Ik stelde me voor dat ik in een donkere gang de laatste paar tanden uit zijn bek zou slaan. Maar ik zat hier al langer dan me lief was vanwege een beslissing waarover ik niet lang genoeg had nagedacht. Ik hield me in. De bullebak bij de uitgang beet op de punten van zijn snor terwijl hij lusteloos de zaal in keek. Zijn handen speelden langzaam met de stok die me laatst een paar gebroken ribben had opgeleverd. Onwillekeurig kromp ik in elkaar.
Mijn vader kon ook zo tekeer gaan als ik niet vlug genoeg was met het laden van de karkassen. Iedere dag weer moest ik op een drafje met die dooie beesten op mijn rug van de vriescel naar zijn truck lopen, waarop in grote letters Van Triest Vleeschtransport stond, de homp vlees op de vloer van de wagen smijten en maken dat ik terug ging voor de volgende vracht, terwijl hij naar me stond te schreeuwen ‘schiet op Van Triest anders kom je te laat op school.’ Hij was zelf de grootste Van Triest en zonder dat hij ooit daarover sprak wist ik zeker dat hij altijd te laat op school was gekomen.
Je stinkt Van Triest! Zeiden mijn klasgenoten recht in mijn gezicht. Op de speelplaats stond ik alleen, geleund tegen het hek bij de weg en staarde naar de deur waardoor ik als het tijd was weer naar binnen moest. Mijn moeder was voor me opgekomen tot ze haar bed niet meer uit kon. ‘Die man wordt nog eens mijn dood Tinus, pas maar op. Jij bent ook niet zo sterk gebouwd.’ Ze moest eens weten. Ik leek op mijn moeder en miste haar iedere dag. Mijn vader had haar lichaam op laten halen voordat ik van school kwam. ‘Dat is beter voor je Van Triest,’ had hij gezegd. Was zij dan niet goed voor mij geweest? Het maakte me onzeker.
Naarmate ik ouder werd stelde ik me steeds vaker voor hoe ik mijn vader een aframmeling zou verkopen als ik sterk genoeg was en voldoende moed had verzameld. Die rechter had het niet begrepen. Hoe kan zo’n toga een jongen begrijpen die in zijn jeugd heeft meegemaakt wat ik heb moeten doorstaan? Iedere dag die aarzeling tot aan het onvermijdelijke?
Ik veegde met de mouw van mijn overall ruw over de spatten van de saus en keek de zaal in. De figuur die me dood had gewenst was verdwenen. Mijn horloge gaf aan dat het tijd was om te luchten.
© Erik R. Noorman, februari 2026
Het slachtoffer. 150 woorden
Het slachtoffer lag bewegingloos op straat, met een been gestrekt, het andere in een vreemde hoek. Zijn armen gespreid. Zijn ene hand gebald tot een vuist, in zijn andere klemde hij een rode veer. Zijn neus was vervormd doordat die tegen het asfalt drukte. Uit zijn mond liep een rood straaltje dat zich voorzichtig een weg baande naar de goot. Zijn ademhaling was oppervlakkig doch regelmatig.
Het was Jaques van de overkant, de man van Angelique met wie wij gisteren nog haar verjaardag hadden gevierd. Bij het afscheid had Jaques, zwaar leunend op de schouders van zijn vrouw, mij welterusten gewenst. Bij het weglopen had ik gehoord dat hij ‘die vent’ nog wel zou krijgen. Nu lag hij daar en van ‘die vent’ ontbrak natuurlijk ieder spoor. Ik liep naar mijn buurman toe waarbij ik niet lette op het verkeer. Voordat ik het wist lag ik naast Jaques, die zijn ene oog opende en zei ‘hebben ze je toch nog te pakken gekregen.’
© Erik R. Noorman
Terug van Tenerife. 538 woorden
Daar stond ze, net terug van haar congres. Ze straalde zoals ik haar nog nooit had zien stralen. Ja, die eerste jaren dat we samen waren en alles nog nieuw was en elkaar ontdekken nog een dagtaak was. In het oranje licht van de ondergaande zon, dat door het raam viel boven mijn bureau, stond ze daar. Haar blonde krullen golfden langs haar gezicht, gebruind op de stranden van Tenerife. Haar zeegroene jurk viel met een zwier soepel om haar lichaam toen ze plotseling haar pas inhield en bij wijze van groet tweemaal met de hak van haar sandaal op de drempel klakte. Zo kende ik haar niet. Niet met die open blik, alsof ze niets te verbergen had. Twee weken geleden hadden we afscheid genomen op diezelfde drempel.
‘Ik móet naar Santa Cruz Jesse, dat gun je me toch wel? Een paar collega’s gaan ook en nog wat mensen die ik ken van vorig jaar in Malaga.’ Ik kon Suus niets weigeren. Het was de toon waarop ze tegen me sprak, dat vragende met dat opwaartse geluid aan het einde van iedere zin. Mijn hart smolt, iedere keer weer. Waarom was ik deze keer zo wantrouwig? Was dat omdat ik wist dat Lars erbij zou zijn? Hij had een maritieme duikopleiding gedaan tegelijk met zijn studie archeologie. ‘Dat is een geflipte onderwatergraaier,’ schreeuwde ik in een verongelijkte bui eens tegen Suus. ‘Een getatoeëerde spierbundel met twee laffe polsbandjes en een ringetje in zijn oor dat hij uit moet doen als hij omlaag flapt, God weet waarnaartoe.’
‘Je hoeft niet jaloers te zijn Jesse, hij is gewoon wat breder gebouwd dan jij en jij houdt nu eenmaal van een gladde kaaklijn.’ Ik zweeg en nam mijn verlies met een binnensmondse verwensing die zij niet leek te willen horen. Suus vermeed sindsdien zijn naam angstvallig als ze over haar werk sprak, waarvan ze soms later thuiskwam dan ik nodig vond. Dat was het ergste. Na afloop van het congres wilde ze nog een paar dagen naar Acantilados De Los Gigantes, aan de westkust, dat met zijn reuzenkliffen een bron van inspiratie was voor kunstenaars. Hij fotografeerde ook. Die hingen in de gang van hun kantoor. ‘Je moet eens komen kijken Jesse.’ Ik piekerde er niet over. Zat mijn Suus bij het fotograferen dan misschien verstopt achter een van die kliffen of stond ze achter die onderwaterlamantijn om met haar naar bodylotion ruikende slanke handen zijn schouders te masseren? Eerst twee handen links en dan twee handen rechts. Ik wist niet hoe ik hieruit moest komen. Ik wilde haar niet verliezen maar haar foto op het bureau van mijn actuariaat was de laatste jaren verstoft geraakt; soms zag ik hem weken niet vanwege de grote vellen met statistieken waarmee ik de risico’s van de eerstvolgende natuurramp doorrekende.
Ze had zich al die tijd niet bewogen. De zon daalde langzaam over haar lichaam omlaag. In een snelle beweging had ze haar schoenen uitgeschopt en ik zag de afdruk van haar teenslippers op haar blote voeten. ‘Ik heb,’ zei ze…, ‘ik ben…’
Zou ze nog met die uitgedeukte kreukelzone ook nog naar Parqua Maritimo zijn geweest met zijn zeewaterzwembaden, palmbomen en zonneterrassen?
Er viel een ongemakkelijke stilte tussen ons.
© Erik R. Noorman
- Op 28 januari 2025 voorgedragen bij de Deventer Huisgenoten
Uitkijken over de drasplas. 478 woorden
Pete groeide op als jongste van de vier kinderen van schoenhersteller Lucas Karmozijn en zijn vouw Adriana Platteveel. Hij was ‘een ongelukje’. Niemand had hem dat verteld maar zelfs Pete, die zijn naam dankte aan de wat slepende tred waarmee hij was geboren, begreep toen hij wat ouder werd, dat als je de vierde zoon bent, je ouders onder de lakens hun best gedaan hadden op een dochter.
Soms leek het erop dat mevrouw Karmozijn haar jongste, na wiens geboorte ze haar vruchtbaarheid had verloren, op een speciale manier verwende. Lucas liet dat oogluikend toe. Hij wilde geen ruzie in het huis waarin niet iedereen een eigen kamer had. Pete groeide op in betrekkelijke eenzaamheid en zocht steeds vaker de plasrijke omgeving op aan de rand van hun dorp, waar de kwelders en vennen in hun ongestoorde rust aan de eeuwigheid leken toe te behoren. Hij merkte dat zijn klasgenoten een kop groter waren. Zijn lengte werd gecompenseerd door een brede rugpartij. De slagen die hij daar op ontving maakten hem nog kleiner. Ook keken zijn vrienden met scheve ogen naar die platte broodjes in zijn lunchtrommel. Ondertussen nam Adriana de broekspijpen van haar zoon onvermoeibaar in, legde de zomen maximaal uit en gaf haar zoon een gevoerde grijsgeruite klepmuts om zijn schedel, waarop na zijn geboorte niet veel haar meer was gegroeid, warm te houden.
Lucas zag de toekomst van zijn schoenherstelplaats zonnig in, maar de een na de andere zoon besloot dat hun toekomst niet lag aan de houten werkbank van hun vader, waar allerlei luchtjes opstegen uit de leest van juist gebrachte schoenen of vanonder de profielzolen. Daarbij kwam dat hun vader vaak rondliep met een bloeduitstorting op zijn duim en pleisters rond zijn vingers. Al zijn hoop was nu gevestigd op Pete. Als die van school kwam zou hij zijn meesterknecht worden in het bedrijf waar ooit Lucas’ grootvader was begonnen. De jongen kon op school redelijk meekomen, alleen bij sporten was dat anders. Bij het hardlopen, kreeg Pete een handicap van twintig meter of meer. Toch won hij alle wedstrijden.
Toen het gedaan was met de school en hij met zijn verende tred iedere morgen naast zijn vader naar de kleine werkplaats liep, werden ze aangesproken door een man die met twee vingers tegen de rand van zijn kiwikleurige Cragshopper tikte. Lucas schrok. Pete herkende direct de plaatselijke jachtopziener. De man zei tegen Lucas dat diens zoon, die er tijdens die ontmoeting met half gesloten ogen bijstond, bij het vallen van de avond vaak gezien werd, voorovergebogen op zijn hurken, als een schoenlapper tussen koningsvarens. Hij keek dan urenlang doodstil naar het vlakke water van een drasplas en reageerde met klakkende tong op de geluiden die leken op te stijgen vanonder het blad van de wilde waterlelies. Of Pete wel zwemmen kon? De jongen keek de man vanonder zijn klepmuts met weerzin aan.
© Erik R. Noorman
De zoon van Markus 1. 447 woorden
Terwijl hij zich omdraaide vielen ze uit zijn handen. Het struif glibberde uit de schalen door de ronde openingen van de rubbermat voor mijn deur.
Hij had net aangebeld.
‘Mijn vader woont verderop. We krijgen familiebezoek en onze eieren zijn op. Hebt u misschien…?’ In gedachten ging ik mijn buren langs. Deze jongen had iets van…, dezelfde tengere gestalte, zijn schouders wat opgetrokken en licht uitstaande oren, onzekere blik. Dat moest de zoon van Markus zijn.
‘Wil je hier even wachten?’ Toevallig was ik een paar dagen geleden bij de kippenboer aan de Schatersestraatweg. Ik liep naar de keuken en nam er een paar uit het mandje naast de koelkast. Toen ik terugkwam stond de jongeman nieuwsgierig naar binnen te kijken.
‘Mooi kastje… en die gedroogde hortensia…’ zij hij met een Vlaams accent terwijl ik de eieren in zijn uitgestrekte handen legde. En toen gebeurde het. Ik bedacht dat ik niet eens wist hoe hij heette en op welk nummer zijn vader woonde. Voor die vragen was het nu te laat. Die troep zou ik later wel opruimen, eerst moest ik van hem af zien te komen. Ik was hem ineens spuugzat met zijn schijnheilige gezicht.
‘Geeft niet zei ik met mijn kiezen op elkaar, ik heb er genoeg.’ In de keuken stond hij ineens vlak achter me.
‘Mooie oven,’ zij hij. Ik greep in de mand en gaf hem mijn laatste eieren.
‘Ik zal er voorzichtig mee zijn meneer en die troep voor de deur kom ik meteen opruimen.’ Toen hij weg was keek ik de hal nog eens rond. Opgeruimd was het hier. Nergens lag iets wat er niet hoorde. In een onbewust gebaar schoof ik de lade van het kastje dicht en realiseerde me op datzelfde moment dat die lade altijd helemaal dicht was. Ik trok hem open. Toen zag ik het.
Ik rende naar de straat. Niets. Vuile vlegel, dacht ik, geflipte eierdief. En dat was de zoon van Markus? Ik liep en paar huizen verder en belde aan. Open lach, blonde krullen, zilveren halve maantjes aan haar uitgerekte oorlellen, roze tuinhandschoenen.
‘Markus Kruidenier?’ zei ze, ‘die is een paar dagen geleden vertrokken.’
‘Maar bent u dan… niet?’
‘Ja, dat zou hij wel willen. Toen ik het huis van hem overnam bleek er van alles kapot: de meterkast, putten in het laminaat, een poster over een gat in de deur, graten in de gootsteenafvoer en de badkamer stonk naar rotte eieren. Dat ruik ik nog steeds. Waar hij gebleven is weet ik niet. Hij had het over een zoon in De Panne. Maar kom binnen want u ziet er uit alsof u iets afschuwelijks heeft meegemaakt.’
Nog plaatsen...
© Erik R. Noorman
Twee glazen donker. 463 woorden
‘Ik ben een ouwe Rolling Stone,’ zei de man toen hij me naar zijn T-shirt met het symbool van zijn helden zag kijken. Met zijn Classic Tongue Unisex baseballcap diep over zijn ogen par-keerde hij zijn vehikel zonder pardon tegen mijn tafeltje waardoor mijn glas met tomatensap omviel en mijn favoriete drankje van de tafel op de grond drupte. De hond die was meege-reisd op de treeplank van zijn scootmobiel, stak zijn nek uit en probeerde met zijn tong schu-rend over de stenen zoveel mogelijk op te likken zonder met zijn poten van zijn plaats te ko-men.
‘Met mijn Scoot durf ik niet meer de weg op vanwege die fatbikers. Ik ben veroordeeld om hier te zitten wachten tot mijn dood, met mijn sjekkie en mijn herinneringen aan hun laatste concert. En, nou ja, met jou dan, vandaag, of u, misschien…’
De dame die tegenover hem was gaan zitten legde haar blote armen op tafel en bestu-deerde de drankkaart. Haar blonde haar viel over haar uitgezakte ogen. Met lippenstift had ze van haar mond een hartje gemaakt dat zich vormde als ze niet sprak. ‘Je had mijn benen vanmorgen moeten zien Marius, ik dacht dat het vet naar beneden zou zakken bij het op-staan maar dat gebeurde niet.’
Marius bukte zich, probeerde onder tafel stiekem naar haar gouden laarsjes te kijken. Hij kwam niet ver genoeg en besloot weer overeind te komen. Een serveerster zette twee glazen donker op hun tafel.
‘Mijn leven was een tocht van podium naar podium,’ ging hij verder. ‘Als tiener vooraan tegen de hekken. Nu parkeren ze me tussen de rolstoelers met hulpmotor bij de Pop-Up Toi-letten. Op mijn graf liggen straks mijn T-shirt en mijn pet. Mijn bril houd ik op want daar zitten net nieuwe glazen in.’
‘Als jij met je bril op onder de zoden ligt,’ zei de dame, ‘mag ik dan jouw Scoot. En stop die stekkerkabel erbij, anders heb ik er niets aan. Je zou toch niet willen dat je buurvrouw die al die jaren dat gezeur over de Stones heeft moeten aanhoren, straks strompelend over straat moet terwijl jij… daar…’ en ze wees in de richting van de spoorwegovergang. ‘Kun je me al-vast uitleggen hoe hij werkt?’
Ik probeerde voorzichtig mijn stoel weg te draaien.
De hond merkte dat hij niet voldoende bereik had voor wat hij wilde en sprong van de treeplank waarbij hij de driewieler omtrok. Die belandde tegen mijn tafeltje. Iets schramde mijn broekspijp open en sneed in mijn vlees. Ik schreeuwde het uit.
De ouwe rocker probeerde overeind te komen maar raakte verstrikt in de hondenriem en viel met zijn witte shirt in het laatste sap.
De serveerster snelde toe en knielde neer bij de Rocker neer.
En ik? Ik moest maar zien hoe ik thuis zou komen.
© Erik R. Noorman
Wado Kruitjes. 489 woorden
Nadat Wado Kruitjes een half uur aan het slot van zijn koffer had staan prutsen vloog de inhoud ervan alle kanten op. De twee douanebeambten, de man met de droeve ogen en de hangsnor waar nog een restje havermout in zat, en de vrouw die vanmorgen een knot in haar lange haar had gelegd waardoor haar pet niet vast op haar hoofd zat en ze alles wat ze deed in slow-motion moest doen, sprongen opzij. Hangsnor kwam, terwijl hij achteruit stapte met zijn hak terecht op de grote teen van zijn collega die voor het eerst dit voorjaar haar rode strass-sandalen had aangetrokken. In haar angst om te vallen greep ze hangsnor bij zijn riem, waardoor hij achterover viel en boven op haar schoot belandde.
‘Hou je handen thuis Beuker,’ riep ze zo hard dat iedereen het horen kon.
Beuker, die in dit opzicht een bedenkelijke reputatie had, riep er hard achteraan: ‘Dat moet jij zeggen met je, je… .’ Het lag voor in zijn mond om iets van haar billen te zeggen maar hij bedacht zich net op tijd en sloot zijn zin af met: ‘…jij met je lange tenen.’ Wat ook waar was.
Toen de groepschef kwam aanlopen om Beuker een uitbrander te geven liep hij recht in de armen van de Knot die met haar bijziende bril op zoek was naar haar pet omdat gisteren tijdens de groepsbijeenkomst nog weer eens benadrukt was dat het niet volledig dragen van het uniform, dat het aanzien van de douane als geheel zou schaden en dat de directeur van hogerhand te horen had gekregen dat iedere inbreuk op de uniformiteit van zijn personeel bestraft zou worden waarna hij een lijst had doen rondgaan waarop de mogelijke overtredingen stonden aangegeven met daarbij de strafmaat. Zo zou het in diensttijd lopen met een open rits bestraft worden met een week extra ochtenddienst, borsthaar zichtbaar boven de boord met drie weken avondcorvee in de hondenkennel, het niet tot bovenaan toe dichtgeknoopt zijn van bloes of overhemd met zeven dagen koffie serveren bij de directeur wiens persoonlijke assistente een half jaar geleden wegens insubordinatie ontslagen was. Het waren taken waar niemand op zat te wachten. Bij het niet dragen van de pet riskeerde de medewerker ontslag op staande voet.
‘Ooooh,’ riep Knot tegen de groepschef, ‘dat was Beuker natuurlijk weer.’
De groepschef keek naar Hangsnor die zich net aan het bevrijden was uit de greep van Sandaal en daarbij min of meer boven op haar terecht was gekomen. De baas probeerde Knot wanhopig weg te duwen zodat hij Hangsnor bij zijn kraag omhoog kon trekken maar de rok van Sandaal was opgeschoven tot ver boven haar knie en zo’n knie zag hij niet vaak.
Wado Kruitjes ondertussen, kroop over de vloer, zocht de inhoud van zijn koffer bij elkaar, sloot het deksel zorgvuldig en wilde voorovergebogen voorbij de balie lopen.
‘Halt,’ werd er geroepen maar de stem van Hangsnor had al zijn autoriteit verloren.
© Erik R. Noorman
Bezoek
‘Nee dank je,’ zeg ik, ‘is er misschien ook iets anders?’ Ik zie aan haar ogen dat ze dit speciaal voor mij heeft gemaakt. Hoe kom ik hiervan af? Ik schuif op mijn stoel. ‘Eigenlijk heb ik niet zo’n honger – trek,’ verbeter ik mijzelf want mijn vaders vader heeft de oorlog meegemaakt.
‘Je lust toch wel iets?’ Daar was ik al bang voor. Ik ben niet zo vaak bij haar op bezoek.
‘Nee, echt niet, doe voor mij geen moeite.’ Ik wil haar niet voor het hoofd stoten. ‘je hebt het vast heerlijk klaargemaakt, het is echt niet voor me weggelegd.’ Ik mag niet zeggen dat ik het niet lust, ook al vanwege mijn vaders vader. Tsjonge wat zit die ouwe mij in de weg. Hoe red ik me hieruit? Ik moet ten koste van alles voorkomen dat wat ze heeft gemaakt uit de pan op mijn bord belandt. Ik raak het niet aan. Geen hap krijg ik door mijn keel, ook niet met een schep vette sju uit die kom ernaast. Ze wrijft haar handen over haar schort, denkt na. Ik wil haar niet teleurstellen, weet ook niet wat ik zeggen moet, schud wat onbestemd met mijn hoofd en houd mijn lippen stijf op elkaar. Wat zij gemaakt heeft komt er bij mij niet in, en wat ik daarover zeggen wil komt er bij mij niet uit. Ik sta op, draai me om en ga op de bank zitten.
Gelukkig dat ik niet alles hoor want die kruimel naast me blèrt de hele kamer bij elkaar. Ook goed dat het mijn kind niet is. Mijn ogen worden ouder. Lastig met de tv. Als ik naar rechts kijk, lijkt het alsof het drie jochies zijn die tegelijkertijd dezelfde beweging maken die in slow motion wordt afgespeeld. Misschien zijn het er zelfs meer…
‘Met z’n hoevelen zijn jullie eigenlijk?’ vraag ik. Ik voel gekriebel aan mijn been op de plaats waar ik last heb van een chronische zweer, waarvoor ik nodig naar de huisarts moet. ‘Blijf af, dat doet zeer. Ga met je vriendjes spelen.’ Ze wippen als veren naast me op de kussens. ‘Niet doen jongens, de bank is…’ Ja, hoe oud eigenlijk. Ik zit in een diepe kuil. Opstaan zal een hele toer worden. ‘Wat denken jullie ervan om allemaal buiten te gaan spelen? Dan kan ik even een dutje doen.’
‘Nee!’ roept ze vanuit de keuken, ‘het hek staat open en de hond van de buren is los.’
Ik denk dat ik een bus eerder neem.
© Erik R. Noorman, augustus 2023
Om meer te lezen 1
Nog plaatsen...
Vindstenen. 1088 woorden, 2019 (fragment uit: Vandaag was ik even onder water)
Na het ontbijt ging ik naar buiten. Op de tegels had een slak glinsterende
sporen achtergelaten. Verderop strekte in de eerste stralen van de zon onze
grijs gestreepte kat zijn poten uit. Het beloofde een mooie dag te worden.
Ik greep de bezem uit de schuur, veegde het gevallen blad van de blauweregen
bijeen en liep naar de straat. Daar klonk een hoog stemmetje.
Ik hield mijn pas in want vlakbij bewoog een meisje zich op haar tenen
langzaam in de richting van de kat, haar hand vooruitgestoken.
Het beest is niet van mij. Mia-Louise had de kitten in het asiel gevonden.
Weggekropen in een hoekje op de bovenste plank van de kooi keek het
met grote ogen naar de mensen achter het gaas. ‘Wat een beauty,’ hoorde
Mia-Louise zichzelf zeggen. Met die naam nam ze het jong mee naar huis.
In het begin hield het zich na het horen van harde geluiden urenlang schuil
onder de servieskast of achter de lage stoel.
Vandaag, op straat, richtten de oren van de kat zich naar de dichterbij
komende fluisterstem. Het dier wachtte tot het de spanning niet langer
kon verdragen, draaide zich sneller dan mijn ogen konden volgen
op zijn buik en verdween in een opening onder de rozenstruik.
Het meisje zag me en ging rechtop staan. Een moment keken we elkaar
recht in de ogen. Als bij toverslag verdween uit haar ronde gezicht
de spanning van het sluipen. In plaats daarvan lachte ze alsof ze werd betrapt
op het stelen van een snoepje.
‘Dat is Beauty,’ zei ik, ‘hij is niet bang voor jou, alleen kent hij je nog niet. Ik ben Frits-Jan. Wie ben jij?’
‘Lumen,’ zei ze, ‘en ik woon daar’. Ze draaide haar bovenlijf om, wees
met haar rechterarm en gestrekte vinger naar achteren, naar het einde
van het Blauwe-oorfazantenpad en liet daarna met een verdergaande zwaai,
waarbij ze met één been een voorzichtig stapje terugzette om
haar evenwicht niet te verliezen, zien dat je daar, ze keek haar wijzende
vinger na, de hoek om moest, ‘maar niet zo ver’.
Ik had het meisje niet eerder gezien. Ze vertelde dat ze met haar vader,
moeder en broertje daar – wees ze weer met naar vinger naar achteren – nog niet lang woonde.
‘Doe je ook nog iets anders op een zonnige dag als deze dan het besluipen van een vreemde kat?’
‘Ik maak vindstenen,’ zei ze. Omdat ik niet wist wat vindstenen waren legde ze het uit.
‘Dat zijn stenen die je ergens vindt, vooral mooie, die je beschildert en dan
ergens neerlegt zodat iemand anders ze kan vinden’.
‘Dat lijkt me spannend om te doen, ook voor de mensen die jouw steen dan vinden.’
Ze knikte. ‘Gebruik je bij het versieren van die stenen verf, of krijt?’
‘Ik heb zachte stiften in verschillende kleuren, ook een pen, die glinstert. Daarmee
kleur ik de steen.’ Ze wipte heen en weer op haar open schoenen, wilde
duidelijk graag nog iets vertellen. Ik boog verder naar haar toe.
‘Ik ben negen jaar en niet erg groot. Dat komt door een groeiachterstand.
Als ik ouder ben, haal ik dat weer in. Ze keek omlaag naar het zilveren kettinkje om haar enkel.
‘Dat komt vast wel goed,’ zei ik. Bij wijze van antwoord schudde ze heftig met haar blonde haar.
Beauty kwam op lage poten naar ons toe. Het meisje bukte
zich, strekte haar arm uit met haar hand naar voren. De kat wilde wel
aan haar vinger snuffelen, een kopje kreeg ze niet.
‘Ik ruik vast niet lekker,’ zei ze. Ik zakte op een knie. Het dier
liep op lage poten om het meisje heen en duwde zijn kopje
onder mijn hand.
‘Vriendschap is kostbaar,’ zei ik. ‘Dat geldt ook voor dit
beestje. Jij en ik, wij kennen elkaar nog niet goed. Ik weet
niet precies wie jij bent. Jij weet van mij ook niet zoveel. Om
vrienden te worden is soms meer tijd nodig.’
Ik stond op.
Ze keek naar me omhoog en langs me heen naar nog hoger,
waar in een boog bij de voordeur de blauweregen bloeide.
‘Het lijkt hier wel een sprookje.’
‘Soms gebeuren hier kleine wonderen,’ zei ik.
We namen afscheid.
Later die middag ging de bel. Niemand. Vlak voor het sluiten
van de deur zag ik op de buitenmat iets liggen.
Het was een steen. De brok witte kwartsiet paste precies in
de palm van mijn hand. Met mijn vingers kon ik hem helemaal
omsluiten. Een van de gladde vlakken was oudroze gekleurd
met daarop een raster van paarse strepen, een ander
vlak had de kleur van aquamarijn met tekens die ik niet kon
ontcijferen. Daarnaast zat een ruw gedeelte dat leek op een
wand die mini-alpinisten zeker als uitdaging zouden zien,
helemaal goudgekleurd. Het zou ook het gezicht kunnen
zijn van de bergkoning uit Edvard Griegs Peer Gyntsuite. Op
de andere zijde van de gebroken kiezel stond, met letters van
hetzelfde goud: van Lumen. De onderkant was vlakker, had
een onregelmatige breuklijn waarin kleine kristallen schitterden:
herinnering dat het stuk in mijn hand ooit deel was geweest
van een grotere formatie.
Omdat ik iets hoorde, keek ik op. Ze wilde zeker weten dat
ik de steen had gevonden.
‘Is die voor mij, Lumen?’ Ze knikte.
‘Ik wist uw naam niet meer…’
‘Dat heb je mooi gemaakt, houd je van geheimen?’ Ze knikte
weer ijverig. ‘Wacht even,’ zei ik, draaide me om, liep naar
binnen, naar de kast waar ook de kinderboeken staan en koos
Het geheim van de wind waarin Debora Zachariasse een dromerig
verhaal vertelt over het zoeken naar een eigen plekje.
‘Kun jij ook een geheim bewaren?’ vroeg ik en ik strekte mijn
hand met het boek naar haar uit. Lumen sloot haar lippen stijf
op elkaar, nam het boek van me aan, bekeek de afbeelding van
de drie broers Big, Knor en Slim, spelend in de bladeren, op de
voorplaat, en hield de gekleurde kaft tegen de jonge winding
van haar oor.
Zo danste ze, het leek me met haar ogen dicht, in de richting
die ze me die morgen met haar arm had gewezen.
Aan het einde van de straat ging ze de hoek om en verdween
uit het zicht, naar niet zo ver.
© Erik R. Noorman
- Gelezen op verzoek van Afra Janssen in het Titus Brandsmahuis (2023)
- Gelezen op verzoek van Nicole Schmaloer (Deventer fluitschool) tijdens de jaarlijkse voorspeelmiddag (2023) voor de leerlingen in een Yurt, bij De Verwondering in Terwolde
Met jou zou ik willen vliegen
Als jij op grote hoogte wilt gaan vliegen ga ik dan met je mee en vliegen we dan samen?
Of is het voor jou voldoende om een adelaar te zijn hoog in de lucht en de wereld onder je te zien?
Daar in de verte, dat kleine huis, denk je ook aan de mensen die daar wonen die hun hele ziel en zaligheid gelegd hebben in wat jij een klein huis zou noemen.
Zij kijken naar boven, zien een kleine vogel hoog in de lucht en zien niet jouw ambitie om zoals zij alles uit het leven te halen.
Ze willen zichzelf geen beperkingen opleggen – en de ander niet schaden.
Je onderzoekt je eigen mogelijkheden vanuit de gedachte dat er niets is wat je niet kunt.
Maak ruimte voor jezelf.
Keer in en laat komen wat komt.
Vlieg dan uit en merk dat je vleugels groeien, dat je wijd gaat en de wereld onder je kunt zien zoals jij wilt dat de wereld naar jou kijkt.
© Erik R. Noorman
Haiku nr. 1
Bewaar je hart niet / eindeloos onder water / geef me je golven
© Erik R. Noorman